Augustinus en de Reformatoren maakten een scherp onderscheid tussen de natuurlijke wilskeuze (het vermogen om zonder externe dwang besluiten te nemen) en de geestelijke vrijheid om God waarachtig lief te hebben. De mens handelt altijd vrijwillig en naar zijn eigen aard, maar die aard is sinds de zondeval een slaaf van de zonde (servum arbitrium).

Vrijheid verloren door schuld In zijn geschriften tegen Pelagius verdedigde Augustinus dat de zondeval de wil van de mens niet heeft uitgewist, maar wel grondig heeft bedorven:

  • Vrijwillig, maar niet vrij: De wil handelt zonder uitwendige dwang (coactio), maar ligt innerlijk gevangen onder de heerschappij van het eigen egoïsme.

  • De staten van de mens: Vóór de zondeval kon Adam niet zondigen (posse non peccare); na de val bevindt de natuurlijke mens zich in de staat waarin hij niet kán nalaten te zondigen (non posse non peccare). Alleen wederbarende genade herstelt het vermogen om het goede te willen.