Kiezen en keuzes van een mens.

De Bijbel roept de mens op vele plaatsen op om een keuze te maken:

Deuteronomium 30:19 ("Ik heb u het leven en de dood, den zegen en den vloek voorgesteld; kiest dan het leven")

Romeinen 1:20: "Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Romeinen 1:21: "Omdat zij God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden"

De gebonden wil na de zondeval Sinds de val van Adam is het hart en daarmee de wil van de mens verdorven geraakt. De wil functioneert altijd in overeenstemming met de aard van de mens, en die aard is van nature vijandig tegenover God, en voor de zonde. Johannes 8:34: "Een iegelijk die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde." De mens is vrij om te kiezen wat hij wil, maar hij wil uit zichzelf nooit werkelijk God liefhebben of dienen.

Onwil als kern van het probleem Het onvermogen om tot God te komen is in de Bijbel geen fysieke belemmering, maar een zedelijke onwil. Jezus zegt in Johannes 5:40: "En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven mocht hebben." Ook in Mattheüs 23:37 klinkt dit: "Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen (...) en gijlieden hebt niet gewild."

Bevrijding door soevereine genade Omdat de wil van nature onwillig en onmachtig is, kan de mens alleen tot geloof en bekering komen als God Zelf ingrijpt:

  • Gods trekkende kracht: In Johannes 6:44 verklaart Christus: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke."

  • Een nieuw hart: God belooft het stenen, onbuigzame hart weg te nemen en een vlezen hart te geven (Ezechiël 36:26).

  • God werkt het willen: In Filippenzen 2:13 staat dat echte gehoorzaamheid geheel uit God voortkomt: "Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen."

Romeinen 7:14-19; "Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.”